panel 2

Historiek

Over de ontstaansgeschiedenis van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en het socio-economische belang ervan voor onze maatschappij.

Geschiedenis

De RSZ en de sociale zekerheid zoals we die nu kennen, bestaan sinds 1944. Maar de wortels van het systeem gaan terug tot in de negentiende eeuw.

Op zoek naar zekerheid

Zekerheid is een menselijke basisbehoefte. Om zich tegen de risico’s van het bestaan te verzekeren, heeft de mens in het verleden allerlei oplossingen gezocht, gaande van hulpverlening onder families, sparen en georganiseerde liefdadigheid tot principes van burgerlijke aansprakelijkheid en onderlinge bijstand of mutualiteit.

De eerste sociale verzekeringen

In de negentiende eeuw ontstond een uitgebreid netwerk van sociale verzekeringen. Die initiatieven waren vaak beperkt tot een beroepsgroep (bijvoorbeeld mijnwerkers) of dekten een bepaald risico (bijvoorbeeld arbeidsongevallen). Sommige gingen uit van werkgevers, andere van werknemers. Deelname was altijd vrijwillig. Via subsidiëring probeerde de overheid, die naar sociale samenhang streefde, de aansluitingsdrempel te verlagen.

Vanaf het begin van de twintigste eeuw werden de verzekeringen geleidelijk aan verplicht gemaakt, zodat hele bevolkingscategorieën konden worden gedekt. Het idee voor een verplichte verzekering was komen overwaaien uit Duitsland, waar Bismarck al in 1882 een arbeidsongevallenverzekering op nationale schaal verplicht had gemaakt.

Een dergelijke evolutie veronderstelde diepgaande structurele hervormingen: een bescherming die ten goede komt aan wie ertoe bijdraagt (werkgevers en werknemers), onder het toeziend oog van de overheid.

Naar een nieuw stelsel

Ondanks de uitbreiding van de verzekeringen was de sociale bescherming in de jaren ’30 zeker nog niet algemeen. Sommige groepen vielen nog uit de boot. Bovendien bestond er behoefte aan vereenvoudiging en harmonisering van de verworven rechten.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog sloten vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in het geheim een “overeenkomst tot sociale solidariteit”. Daarin werden de principes vastgelegd van een toekomstig stelsel van sociale zekerheid, gericht op de solidariteit tussen personen onderling.

Onmiddellijk na de Bevrijding, op 28 december 1944, werden die principes overgenomen in de “Besluitwet betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders”. Dat werd het algemene kader van de sociale zekerheid.

De besluitwet was alleen bestemd voor de werknemers en niet voor zelfstandigen. Zij had betrekking op vijf gebieden:

  • rust- en overlevingspensioenen
  • ziekte- en invaliditeitsverzekering
  • werkloosheid
  • kinderbijslagen
  • jaarlijkse vakantie 

De wet voorzag in:

  • een verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering 
  • een verplicht stelsel van werklozensteun
  • een verbetering van de al verplichte regelingen voor ouderdoms- en overlevingspensioenen en kinderbijslagen 

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid

De bestaande instellingen, die op initiatief van de werkgevers of werknemers waren opgericht, werden bij de werking van het nieuwe geheel betrokken. De werkloosheidskassen, ziekenfondsen, kinderbijslagfondsen en jaarlijkse vakantiekassen bleven bevoegd voor de uitkering van sociale voordelen aan de rechthebbenden.

De taak om de bijdragen te innen, werd toevertrouwd aan een nieuwe instelling: de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Deze op vereenvoudiging gerichte centralisatie is technisch en administratief gezien één van de sterke punten van de hervorming van 1944-1945.

Uitbreiding

Na de oorlog nam de sociale zekerheid sterk uitbreiding. Ze evolueerde ook van een verzekering tegen sociale risico’s naar een waarborg voor bestaanszekerheid voor iedereen. Zo werd in 1974 het bestaansminimum (nu het leefloon) ingevoerd.

De economische crisis dwong de overheid om te bezuinigen en in de jaren ’80 gingen sommige uitkeringen omlaag.

Hoewel het aandeel van de overheid in de financiering van de sociale zekerheid in de loop van de tijd is toegenomen, zijn de financieringsprincipes opmerkelijk stabiel gebleven.

Digitalisering

Vanaf de jaren ‘90 werden diepgaande veranderingen doorgevoerd in het beheer van de sociale zekerheid.

In 1990 ging de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid van start. Het was het begin van de digitalisering in de sociale zekerheid. Tussen de instellingen van de sociale zekerheid ontstond een netwerk voor de onderlinge uitwisseling van elektronische gegevens.

In 1999 voerde de RSZ de elektronische tewerkstellingsaangifte Dimona in. Later volgden nog meer elektronische aangiftesystemen: de kwartaalaangifte DmfA (2003) en de melding van buitenlandse werknemers Limosa (2007). De sociale zekerheid sloeg resoluut het pad van het e-government in.

Met de toepassing Student@work (2012) gaf de RSZ voor het eerst ook burgers (jobstudenten) toegang tot zijn gegevens.

Een geïntegreerde inning

Vanaf 2015 kwam er een proces op gang waarbij diverse verspreide inningsopdrachten bij de RSZ zijn ondergebracht. Zo werd de RSZ verantwoordelijk voor de inning van de bijdragen van de binnenschippers en de pensioenbijdragen van ambtenaren.

Op 1 januari 2017 fuseerde de RSZ met de Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels (DIBISS), waardoor ook de inning van de bijdragen van de lokale en provinciale overheden bij de RSZ terechtkwam.

Meer informatie

^ Back to Top